Hee allemaal,
Inmiddels is het alweer twee weken geleden dat ik voet aan Nederlandse bodem gezet heb na mijn verblijf van om precies te zijn 181 dagen in Canada. Tijd dus voor een afsluitende blog over de prachtige tijd die ik in dit immense land heb gehad!
Zoals ik eerder schreef ben ik op 11 juni van Vernon naar Vancouver vertrokken, om daar Henrike te treffen en rond te gaan reizen door British Columbia en de Rocky Mountains. Logischerwijs begon de reis in Vancouver en daarna zijn we opeenvolgend naar Vancouver Island, terug naar Vancouver, Whistler, wéér terug naar Vancouver, Kelowna, Banff, Rampart Creek, Edith Cavell, Jasper en terug naar Banff gegaan. Als je het zo opschrijft lijkt het niet veel voor te stellen, maar met dit tripje hebben Henrike en ik ons toch makkelijk vier weken weten te vermaken. Eigenlijk hebben we zoveel onvergetelijke dingen gezien en gedaan dat het ondoenlijk is om het allemaal op te gaan sommen. Om die reden laat ik het bij een kleine selectie; hetzelfde geldt voor de foto’s die ik geüpload heb (liefhebbers voor meer details zijn welkom om deze persoonlijk te komen aanhoren en/of aanschouwen. Aan een uitgebreide diashow met licht, geluid en special effects wordt nog gewerkt).
Ik zal maar meteen beginnen met het –in mijn ogen- belangrijkste aspect wat Canada maakt tot het prachtige stuk aarde dat het is, en dat is het landschap en de natuur. Henrike en ik hebben hier dankbaar gebruik van gemaakt door veel te hiken en ook tijdens het reizen van plek naar plek kwamen we veel prachtige dingen tegen. Vooral de Rocky Mountains (Banff en Jasper en wat daar tussenin ligt) hebben een diepe indruk op me gemaakt met de vele helblauwe (ja, die kleur is echt!) meren, messcherpe bergkammen en ontelbare watervallen, de één nog spectaculairder dan de andere, die het gebergte telt. Bovendien kwam je om de haverklap allerlei wild tegen (vooral veel beren en herten, de laatste liepen zelfs midden in de stad de tuinen van de lokale bevolking aan gort te eten) Aan de vele ‘Oh’s en ‘Ah’s die door mijn medereizigers uitgestoten werden bij het zien van het zoveelste bergmeer was duidelijk te horen dat ik niet de enige was die verbijsterd was door al het moois. Een ander hoogtepuntje wat landschap betreft was Beacon Hill in Victoria (op Vancouver Island). Dit was zo bijzonder omdat je vanuit een stadspark opeens een strand op loopt dat uitzicht biedt op de besneeuwde toppen van de Olympic Mountains in Washington. Henrike en ik waren nietsvermoedend door Victoria aan het struinen toen we opeens dit bijna onwerkelijke uitzicht in het vizier krijgen en we waren beide zo overdonderd dat we wel een half uur lang niets anders dan ‘Oh, wat is dit mooi!’ en soortgelijke opmerkingen uit konden kramen. Ook Stanley Park in Vancouver en Vancouver Island in zijn geheel verdienen een eervolle vermelding, wat mij betreft vooral vanwege het regenwoud met de gigantische eeuwenoude bomen die daar ruimschoots aanwezig zijn. Ik vind bomen sowieso te gek en de woudreuzen die je hier vind kon ik dan ook heel best waarderen.
Iets anders wat ik erg leuk vond was het bezoeken van familie op Vancouver Island. Henrike en ik hebben een aantal nachten bij ‘oom’ (technisch gezien de oom van mijn vader, maar iedereen zegt altijd gewoon ‘oom’) Arnold gelogeerd en van daaruit allerlei dingen op het eiland bekeken en nog meer familieleden opgezocht. Hierbij hoorde een bezoekje aan de houtzagerij (wat ik overigens supertof vond, al lijkt dit misschien niet helemaal te stroken met mijn diepgewortelde liefde voor bomen) van achterneef Paul, waar ik een grote machine bestuurd heb die zo eventjes vier hele stammen de lucht in kon smijten. Echt speelgoed voor grote mensen, want volgens mij had Paul zelf ook wel schik met het besturen van dit monsterlijke apparaat. Met oom Arnold zijn we ook nog gaan eten bij ‘tante’ (jullie raden het al, ook al geen echte tante) Annie in Nanaimo en in Victoria zijn Henrike en ik uit eten geweest met een achternicht, Mieke. Ook hierover ga ik verder geen ellenlange uitweiding geven, maar het was heel leuk eens een stuk van de familie te zien die ik nog niet kende en we werden door iedereen zo ontzettend hartelijk ontvangen dat ik er een heel goed gevoel aan over heb gehouden.
Behalve familieleden liepen er overigens nog genoeg andere leuke mensen rond op de plaatsen die Henrike en ik bezocht hebben. Een deel van de reis hebben we afgelegd met een zogenaamde Moosebus, een bus speciaal bedoeld voor backpackers die van hostel naar hostel rijdt en onderweg wat zonder eigen auto moeilijk te bereiken bezienswaardigheden meepakt. Het geinige van dit systeem is dat je op deze manier telkens mensen tegenkomt die je al eerder in je bus of in het hostel had gezien en zo leer je heel snel nieuwe mensen kennen (en je komt op de meest onverwachte momenten/plaatsen opeens bekenden tegen, lekker kneuterig!). De Moosebus was overigens ook de reden dat Henrike en ik twee nachten (één nacht bij Rampart Creek en één vlakbij mount Edith Cavell) in een zogenaamd Wilderness Hostel geslapen hebben, een ander absoluut hoogtepunt van de rondreis. Een wilderness hostel betekent in Canada dat je daadwerkelijk in de wildernis zit, wat met zich meebracht dat we het zonder stromend water en met zeer beperkte elektriciteit moesten stellen. Bij het eerste hostel was er –zeer luxueus- een sauna, waardoor je na hier een tijdje in gaargekookt te zijn dankbaar gebruik maakte van het ijskoude (want gevuld met smeltwater van een gletsjer) beekje vlakbij, maar bij het hostel waar we de nacht erna sliepen was helemaal niets om je mee op te frissen. ‘Gelukkig’ moest er veelvuldig met anti-insectenspray gespoten worden om de vele muggen een beetje op afstand te houden, dus in plaats van een zweetwalm hing er permanent een weeïge deetlucht om onze groep heen. Verder was het in deze hostels niet toegestaan ook maar iets aan voedingsmiddelen of anderszins met een sterke lucht op de slaapzaal te houden, dus alles, tot aan je zeep aan toe, moest in de keuken bewaard worden. Dit was overigens uit veiligheidsoverwegingen, want je wil natuurlijk niet het risico lopen dat een beer op de overheerlijke geur van bijvoorbeeld je tandpasta(?) afkomt en de slaapzaal binnen komt wandelen. Al deze ontberingen doorsta je natuurlijk niet voor niets, want beide hostels waren gelegen op een prachtige plek. Vooral Edith Cavell was prachtig, want hier sliep je zo’n beetje aan de voet van een gletsjer. ’s Avonds aan een kampvuur zitten (zonder de typisch Noord-Amerikaanse s’mores, een soort toetje met crackers, chocola en marshmellows die je normaal gesproken boven het vuur laat smelten. We hebben deze dingen wel gemaakt, maar dan veilig binnen op de kachel. Beren schijnen namelijk ook erg van marshmellows te houden) terwijl je omringd bent door een donker bos/je vlak naast een door de maan oplichtende gletsjer zit heeft eenvoudigweg iets magisch!
Behalve naar de Wilderness Hostels bracht de Moosebus ons ook naar het plaatsje Jasper. Dit is vooral bekend vanwege het nationale park dat er omheen ligt, maar wij waren er op Canada day (elk jaar op 1 juli wordt de oprichting van Canada gevierd) en onze buschauffeur wist toevallig dat je dan mee kon doen aan het plaatselijke pannenkoekenontbijt. Zo togen wij dus die ochtend naar het sportpark waar we ons tegen betaling van een paar dollar vol konden eten met American pancakes (die heten in Canada alleen natuurlijk gewoon pancakes) met dikke lagen boter en maple syrup, aardbeien en worstjes (die combinatie ook echt…). Om het nog even af te maken werd er een optreden met een stel doedelzakken en niet zulke beste dansers weggegeven en dit maakte de goede sfeer die er toch al hing alleen maar beter. De avond van Canada day brachten we door in Banff, en hier werd ter ere van deze feestdag een uitgebreide vuurwerkshow gegeven. Terwijl ik hier naar aan het kijken realiseerde ik me opeens dat we ergens in een plaatsje middenin de bergen zaten, waar iedereen uitliep om naar het schouwspel te komen kijken en om de één of andere reden voelde dat heel speciaal. O zo Canadees, en o zo leuk!
Vanuit Banff ben ik overigens, voor ik weer naar huis vloog, nog voor een paar dagen naar mijn trouwe stek in de outback van Vernon gegaan. Die laatste paar dagen waren alsvanouds gezellig (en nu hoefde ik eens niet de handen uit de mouwen te steken
) en ik werd op 11 juli ook nog eens heel lief ’s ochtends in alle vroegte (ik vloog om 6 uur vanaf Kelowna) naar het vliegveld gebracht. Zo was de cirkel dus rond: ik begon mijn reis bij Fitjamyri en ik eindigde er ook. Een perfecte afsluiting!
Het verhaal is inmiddels alweer langer geworden dan de bedoeling was en daarom brei ik er nu toch maar even een einde aan. Rest mij nog iedereen te bedanken die mijn blog gelezen heeft of er in elk geval af en toe een kijkje heeft genomen. Ik heb met liefde mijn best gedaan hier af en toe een stukje te posten en ik hoop dat jullie hierdoor een beetje een beeld gekregen hebben van wat ik de afgelopen zes maanden heb uitgespookt, en natuurlijk dat jullie je er een beetje mee vermaakt hebben. Ik heb al met al nog maar een heel klein gedeelte van Canada gezien, dus wie weet krijgt deze blog ooit nog eens een vervolg…!
Liefs, Rosan





Toen we in Yosemite National Park (in Californië) kampeerden hadden ze ook een bear-box voor al je eten. Erg geruststellend, tot dat , terwijl we in onze tent lagen, bij ons doordrong dat we zojuist lippenbalsum van bijenwas gebruikt hadden.... Slaap lekker